Dit bericht is geschreven door de redactie van slotoffensief.limbointernational.dev/.
Het regende zacht boven Leeuwarden, van dat stille, bijna verlegen motregentje dat de stad niet overspoelt maar omsluit en dan komt daar Robbin Kleefstra aanlopen, die met zijn brede glimlach de stad toch nog doet verlichten.
“Eigenlijk had ik dit interview liever gedaan als ik terug was gekomen van mijn liesblessure. Als het weer goed was gegaan. Als ik bij Blauw Wit’34 had kunnen laten zien dat ik nog steeds iets te brengen had. Maar… van de sportarts moet ik stoppen.” Zegt Kleefstra meteen zonder drama. Juist die rustige manier van uitspreken maakte de woorden zwaar. Want achter zijn nuchtere toon zat een werkelijkheid die hij zelf nog amper durfde te accepteren: dat zijn lichaam, dat bijna dertig jaar overal mee naartoe had genomen, nu voor het eerst iets terug eiste.
“Ik was de speler van de actie, de schijnbeweging, de versnelling. Ik had zelf in één seizoen 30 assists, maar dat zie je nergens terug, behalve bij de mensen die er écht stonden.”
Kleefstra is een jongen van Blauw Wit’34 in de meest letterlijke en figuurlijke zin van het woord. Hij groeide op in een familie waarin de club niet zomaar een plek was om te voetballen, maar een traditie, een erfstuk dat van vader en moeder op zoon en van opa op kleinzoon doorgaat, alsof het bij de familienaam hoort. Hij begon op zijn vijfde bij Blauw Wit’34, speelde vanaf zijn achtste bij SC Cambuur, maar keerde op zijn vijftiende terug naar het blauw-witte shirt dat hem als kind al had omarmd. Hij debuteerde twee jaar na zijn terugkeer op 17-jarige leeftijd in het eerste elftal, en vanaf dat moment was hij die buitenspeler niet leefde van zijn goals maar van zijn dribbels, iemand die wedstrijden kleur gaf in plaats van besliste, iemand die het publiek inademde, langs een mannetje slalomde en een assist gaf die anderen lieten scoren. “Ik was nooit de speler van de goals,” zegt hij met een glimlach die half trots, half melancholisch is. “Ik was de speler van de actie, de schijnbeweging, de versnelling. Ik had zelf in één seizoen 30 assists, maar dat zie je nergens terug, behalve bij de mensen die er écht stonden.”



Dennis van der Ree momenteel assistent trainer van Go Ahead Eagles was drie jaar lang de trainer bij Blauw Wit’34. Het liep niet altijd zoals het moest de laatste periode en Kleefstra had een nieuwe prikkel nodig en ging met zijn beste vriend Fekadu Toussaint die toen speelde bij FVC naar Leeuwarder Zwaluwen. “Daar speelde ik onder Carlo Rietdijk, dat waren mijn mooiste jaren in de voetballerij”. Kleefstra degradeerde het eerste jaar met Leeuwarder Zwaluwen van de eerste naar de tweede klasse en wist in het seizoen 2018 – 2019 opnieuw kampioen te worden, tegen.. Blauw Wit’34. “Dat was wel bijzonder, tegen je club kampioen worden.” “Alles klopte, we hadden veel goede spelers maar met Jeton Musliu en Arton Musliu had ik een unieke klik. Als je dat eenmaal hebt meegemaakt, blijf je altijd een beetje hunkeren naar dat gevoel.”
Die hunkering, dat zoeken naar zijn top, was precies wat hem altijd dreef. Kleefstra noemt het zelf bewijsdrang, maar het was meer dan dat. Het was een mengeling van honger, trots en nieuwsgierigheid. Hij wilde weten hoe goed hij kon worden, hoever hij kon gaan, waar zijn plafond lag. Dat leidde tot belangstelling van clubs als Olde Veste, Buitenpost, Harkemase Boys en ONS Sneek, maar telkens viel een overstap op het laatste moment weg. Het telefoontje van ONS Sneek vergeet hij nooit weer. “Op mijn verjaardag, nog wel,” zegt hij. Het was een flinke teleurstelling. “Maar goed… ik wilde niet opgeven,” zegt hij, zonder spijt, zonder bitterheid, zonder wrok.
“Uitgerekend in Sneek tegen ONS, waar ik in de laatste minuut de assist op de winnende goal gaf”
Zijn drang naar meer bracht hem uiteindelijk naar Amsterdam, een stad die alles was wat Friesland op dat moment niet voor Kleefstra was: rauw, nieuw, anoniem, snel. De velden, de teams, de mensen, de accenten, alles voelde anders. “Ik had de meeste complexen en clubs in Friesland wel gezien,” zegt hij. “Ik had iets nieuws nodig.” En dus belandde hij bij AVV Swift, waar hij zijn debuut maakte in de Hoofdklasse, de stap waar hij al zo lang naartoe had gewerkt. “Uitgerekend in Sneek tegen ONS, waar ik in de laatste minuut de assist op de winnende goal gaf.”
“Voor mijn eerste training sliep ik bij een vriend, zo’n tien minuten fietsen van A.V.V. Swift. Ik was ervan uitgegaan dat ik zijn fiets kon pakken, maar mijn maat had de sleutel meegenomen. Dus moest ik 45 minuten lopen in vijftien minuten. Ik raakte lichtelijk in paniek en ben naar de club gaan rennen, haha. Ik haalde het op de minuut.”
Maar A.V.V. Swift bleek een vriendenteam dat aan het afbouwen was, geen selectie die hem verder zou brengen. Spelers gingen skiën tijdens competitiewedstrijden. De technische commissie had hem nooit zien spelen. Aan het einde van het seizoen kreeg hij te horen dat hij weg moest omdat er te veel mensen in de selectie zouden zitten. “Ik had gegokt en verloren,” zegt hij schouderophalend, alsof verliezen ook een soort winst is zolang je het maar begrijpt.
“Dat is amateurvoetbal, als een selectie leegloopt, loop jij zelf ook leeg.”
Via zijn trainers van A.V.V. Swift die de afhandeling achteraf ook niet netjes hadden gevonden belandde Kleefstra bij SDZ, waar hij in de winterstop met zijn ploeg bovenaan stond, waar hij goals maakte en assists gaf, waar alles eindelijk weer klopte. Tot het niet meer klopte. De selectie viel uit elkaar, de club zakte weg, trainingen werden afgelast omdat er nog maar vier spelers waren, en uiteindelijk volgde die bizarre nederlaag van 12-1, een uitslag die nog steeds voelt alsof hij op een andere planeet is ontstaan. “Dat is amateurvoetbal,” zegt hij. “Als een selectie leegloopt, loop jij zelf ook leeg.”
Toen wist Kleefstra: het is tijd om terug te keren. Niet als vlucht, maar als thuiskomst. Hij ging terug naar Blauw Wit’34, ook al woont Kleefstra nog in Amsterdam en reist hij honderden kilometers per week. Kleefstra deed het voor de club, voor zichzelf, maar vooral voor het moment waarop hij samen met zijn broertje Kayin in één elftal zou staan. Dat moment kwam. Kleefstra gaf de assis en Kayin schoot de winnende binnen. En hun opa stond langs de lijn. “Dat was… ja, dat was prachtig,” zegt hij, en Kleefstra kijkt weg, alsof het beeld nog ergens boven het veld hangt en hij het liever niet kwijt wil.

Maar tegelijkertijd begon zijn lies te protesteren. Eerst subtiel, toen iets harder, toen dagelijks, toen allesomvattend. Tijdens het opstaan op het werk schoot het erin; dat was vaker gebeurd, maar deze keer voelde hij meteen dat er iets niet klopte. Zijn laatste wedstrijd speelde Kleefstra toen hij 29 jaar was in een oefenwedstrijd tegen FC Burgum. Zwijgend probeerde hij tien keer terug te komen, tien keer met hoop, tien keer met teleurstelling. Afgelopen donderdag vertelde Kleefstra zijn teamgenoten dat het klaar was op het veld. “Ik stond op het veld en dacht: dit kan niet. Ik wil dit niet. Ik weiger dit te geloven.”
“Een beetje Berghuis-achtig. Van dat nonchalante, creatieve. Het is mooi of het is irritant. Daartussen zit weinig.”
De sportarts is duidelijk: stoppen. De fysiotherapeut ziet nog een klein gaatje. Kleefstra zit ertussenin, gevangen tussen wilskracht en anatomie. “Ik kan het niet loslaten,” geeft hij toe. “Ik geef niet op. Maar ik ben bang dat mijn lichaam dat wel doet.”
Toch wil Kleefstra geen slachtoffer zijn. Hij benadrukt het meerdere keren. “Maak hier geen slachtofferverhaal van,” zegt hij. En dat past ook niet bij hem. Kleefstra werd twee keer kampioen, heeft in de Hoofdklasse gespeeld, trainde met jongens als Mark Diemers en Issa Kallon door in de winterstop om fit te blijven. Die laatste twee gaven complimenten die hij niet snel vergeet. Kleefstra speelde op de ‘Blauwe Westmaat’ tegen SV Spakenburg, maakte acties die mensen deden opveren en fouten die anderen frustreerden. “Mijn stijl… ja, daar moet je van houden,” zegt hij lachend. “Een beetje Berghuis-achtig. Van dat nonchalante, creatieve. Het is mooi of het is irritant. Daartussen zit weinig.”
“Niet alles is gelukt, maar het heeft me voor een groot deel gevormd tot wie ik ben.”
En misschien is dat precies wie Robbin Kleefstra is: een speler die je niet meet in statistieken, maar in herinneringen. In verhalen. In het gevoel dat je krijgt als hij met een schijnbeweging twee man op het verkeerde been zet. In de assist die hij geeft aan zijn eigen broertje. In de complimenten die hij kreeg van jongens die veel hoger speelden. In zijn eeuwige bewijsdrang, die hem zowel vormde als brak.
Hij kijkt naar de Oldehove, naar de regen die inmiddels bijna is gestopt, naar de stad waar zijn hele verhaal in begonnen is. “Ik ben trots,” zegt hij. “Niet alles is gelukt, maar het heeft me voor een groot deel gevormd tot wie ik ben.”








